INHOUD Wie de schoen past…

Het voordeel van een jonge programmeur zijn is dat er nog veel te leren is. Om die reden ging ik deze zomer op reis, twee kanten uit. Eerst naar Zuid Amerika, waar ik het theater in Chili en Argentinië goed leerde kennen, en vervolgens naar Azië, waar ik getuige was van de opening van het Asian Arts Complex met een groot festival in Gwangju en deelnam aan het EFA-atelier voor jonge festivalmanagers.

Provocatieve kunst te durven tonen en niet programmeren om het publiek te pleasen, dat zijn twee lessen die de deelnemers van de atelier kregen van de door de wol geverfde festivaldirecteurs die als mentors optraden.

Ondanks de specifieke aandacht voor internationale festivalprogrammering zijn er zeker een aantal idealen waar ik in Het Huis Utrecht mee aan de slag kan, vooral om na te denken over de rol van Het Huis in het toekomstige podiumkunstenlandschap. Maar ook om een visie uit te dragen die een tegengeluid biedt aan de vanuit politiek en fondsen opgelegde obsessie met bezoekerscijfers.

Een quote die is blijven hangen is een citaat van wijlen Gerard Mortier: “Programmeren is niet datgene tonen wat het publiek wil. Het is datgene tonen wat jij belangrijk vindt en ervoor zorgen dat het publiek het gaat waarderen”. Je volgt dus niet je publiek, maar je bent hun gids. De relaties die je opbouwt met kunstenaars zijn hierin zeer belangrijk, want creatief programmeren is weten waar zij mee bezig zijn en niet enkel het eindproduct tonen.

In Het Huis zijn we directe gesprekspartner van verschillende generaties kunstenaars en hier zie ik een goede leiddraad voor onze toekomstige programmering, in samenwerking met onze Utrechtse partners. Duurzame relaties met theatermakers om het maken en tonen van nieuw werk mogelijk te maken.

Nele Hertling, een mentor met een indrukwekkend staat van dienst, bekritiseerde de actuele situatie. Festival en theaterdirecteuren maken boodschappenlijstjes van interessante voorstellingen en krassen door wat te duur of onmogelijk is. Een gevolg van deze ‘consumptiecultuur’ is dat het tot een omgang met theatermakers als wegwerpartikelen kan leiden. Dit beeld herken ik erg in de manier waarop er op dit moment aan talentontwikkeling wordt gedaan in Nederland. Er vindt een ware jacht op jonge makers plaats, maar na een tegenvallende voorstelling kun je als ‘talent’ zo weer op straat staan.

In de Utrechtse luwte, met het ontbreken van het woord ‘productie’ in de naam van ons huis, zie ik voor ons de plek om deze continuïteit en duurzaamheid wel te kunnen waarborgen. We hebben een kring van inspirerende theatermakers, met een urgent verhaal, om ons heen die we ondersteunen op verschillende manieren. Die we de gelegenheid geven om hun creatieve proces te kunnen verdiepen door workshops, ontmoetingen, residenties of wat zij maar nodig hebben. Want festivals, maar net zo goed theaters en kunstencentra, staan in dienst van de kunstenaar en niet andersom. Dat is de beweging die ingezet moet worden in Nederland, en wie de schoen past trekt hem aan, voor mij en voor ons als Het Huis Utrecht past dat schoeisel als gegoten.

REAGEER