Statement van Milone Reigman – evolution-of-skill

Artistiek coördinator van Het Huis schreef een statement in de septembereditie van de Theaterkrant

Makers van kleur hebben behoefte aan een platform, ze willen hun stem laten gelden. Daarnaast is er een publiek dat deze behoefte deelt. Hoe kan dit werk evolueren voorbij thema’s als processen van uitsluiting en negatieve stereotypering en een nieuw, veelkleuriger publiek vinden? Theatermaker Milone Reigman doet een voorzet voor verandering.

Gefluisterde stemmen die weten waar de aarde wortelt maken mij.
Ze Schrijven.
Drukken door op mij als rode inkt op flinterdun papier

In deze rumoerige tijd heb ik behoefte aan zelfreflectie. Scherp gesteld ben ik van mening dat institutionele uitsluiting een bepalende rol speelt in het stagneren van mijn ontwikkeling als theatermaker. Daardoor voelt de grond waar ik als maker op sta als los zand. Ik bemerk dit niet alleen bij mezelf maar ook bij andere makers en studenten van kleur.

Het gefluister stamt van toen mijn engelen met dieren konden praten.
Geduldig wacht ik tot ik hun stemmen hoor spreken. Het geschreeuw in mijn vaderland vertroebelt mijn blik. Klaar om te luisteren, ben ik. 

Het volgen van twee kunstvakopleidingen heeft mij als maker gevormd. Aan de toneelschool studeren was voor mij de eerste stap waarmee ik mijn kunstpraktijk heb kunnen vormgeven. De ambachtelijke principes van theatermaken zijn mij hier bijgebracht. Maar binnen mijn kunstenaarschap voel ik onvolledigheid.

Het wordt mij na mijn opleiding duidelijk dat doorstroom voor de maker van kleur andere uitdagingen met zich meebrengt. En andere vragen: Wie ik ben ik,  als zwarte vrouw, als mens en als maker? Wat inspireert en voedt mij? Wat wil ik maken en voor wie? Ik heb dat binnen mijn opleiding en daarna allemaal zelf uit moeten zoeken en niet dankzij of met hulp en inspanning van instituten die er in het veld zijn om jonge makers te ondersteunen – integendeel, juist van hen ervoer ik weerstand en juist tegenover hen moest ik vaak mijn (artistieke) keuzes en onderzoeksmotivatie uitleggen – omdat zij mijn perspectief niet begrepen.  Nu ik een platform heb – ik ben sinds het najaar van 2019 artistiek coördinator van Het Huis in Utrecht – wil ik makers van kleur inspireren, en een waardevolle bijdrage leveren aan de groei en evolutie van deze groep. Samen op zoek gaan naar handvatten, uitgangspunten en vernieuwde spelregels waarmee we onze werkpraktijk verder kunnen ontwikkelen.

De honger naar eigen bloemen voedt mijn ziel. Maar leeg kloppend gromt er iets in mij. Te vroeg ontworteld zoek ik mijn moederland te lang onbekend maakt gaten.
Amerika: het verscheurde land van mijn oom. Afrika: het leeggeroofde continent van mijn overgrootoma. Lege ruimtes samen. Zoeken naar antwoorden verbindt. Samen strijden tegen het gewicht van honderden jaren slaag verbroedert. 

Ik heb ervaren dat zwarte kunst, kunstenaars, schrijvers, dramaturgen en theatermakers geen ruimte krijgen binnen de eurocentrisch gerichte performance en kunstgeschiedenis. Mijn observaties omvatten hier zowel mijn tijd op de opleiding als die daarna. Dat een eenduidige opvatting van kunst voor mij een bepalende rol had op mijn ontwikkeling is evident en op verschillende aspecten van mijn kunstopvoeding zichtbaar.

Allereerst mist er een aaneenschakeling van scholen, instellingen, organisaties en platformen die de ontwikkeling van de maker van kleur en hun doorstroom faciliteert. Vervolgens ontbreekt het bewustzijn dat deze makers andere stappen in hun ontwikkeling doormaken en dat opleidingen en instellingen daarop kunnen anticiperen. Kunstvakopleidingen ontberen docenten in het kernteam die het werk van makers van kleur kunnen toetsen en het binnen een bredere context kunnen plaatsen. Ik ben veel bezig geweest docenten op de opleiding bij te scholen of het perspectief waarvanuit mijn werk vertrok te contextualiseren, waardoor mijn ontwikkeling als maker stagneerde.

Dat kwam het sterkst tot uiting binnen het beoordelingsproces. Wanneer het onderwerp van mijn werk niet aansloot bij het wereldbeeld, de canon, het referentiekader en gekende theatergeschiedenis van het docententeam, werd het moeilijker mijn vertoonde werk te beoordelen en te analyseren: er waren geen uitgangspunten om de vormelijke uitwerking van deze inhoud te toetsen. De beoordelingsgesprekken werden dan geheel gedomineerd door hun eigen interpretaties, in plaats van de vragen te stellen waardoor ik dat werk kon verbeteren. Tijdens, maar ook na mijn opleiding merkte ik dat gesprekken over concept, wereldbeeld, vormtaal alleen getoetst werden aan de heersende witte canon.

Met dat er bij mij het bewustzijn groeide dat theater social artwork is en dat het gebaat is bij constante dialoog over zowel vorm als inhoud, werd de zoektocht naar een passende dramaturg geboren. Die heb ik tot op heden nog niet gevonden. Welke dramaturgen zijn er om het werk van mij en velen met mij verder te kunnen contextualiseren en welke kennis moet er bij deze dramaturgen aanwezig zijn?

Omdat het westerse theater uitgaat van het geschreven woord en de Afrikaanse vanuit een orale traditie vertrekt, is het voor mij belangrijk een dramaturg te vinden die die werelden aan elkaar kan verbinden. Een andere belangrijke tool is een archief. Maar ook dat mist. Waar vind je de makers die je zijn voorgegaan en welke thema’s hebben ze behandeld, wie waren hun inspiratiebronnen, welke vormtaal hanteerden ze en voor welk publiek ? Het is niet dat die makers er niet zijn geweest: wel is het zo dat hun kennis niet is gearchiveerd of gedeeld.

Het perspectief van de zwarte maker in Nederland krijgt nog weinig ruimte in de eurocentrische performance- en kunstgeschiedenis. Welke rol heeft de criticus hierin? Wanneer een criticus een waardeoordeel geeft aan het werk dat gekleurd is door de witte blik – en dus vaak niet klopt met wat de maker poogt te zeggen – kan het serieuze gevolgen hebben voor de maker en diens ontwikkeling.

Ik ben van koningen, leiders, strijders, vechters en amazones. Ik heb het bloed van meerminnen door me suizen; van water ben ik. Overstemd door wegen, bruggen, gebouwen, kantoren. Wat is mij. Wat van mij. Waar mag ik over, waar kan ik mee, hoe kijk ik op. Wanneer loop ik over.

Binnen het Nederlandse theaterlandschap groeit het bewustzijn dat er ruimte moet worden gemaakt voor de verschillende perspectieven die in onze wereld aanwezig zijn.
Dat is goed.  Maar er borrelt ook een soort wantrouwen op. Kan de zittende garde die nieuwe perspectieven nu wel beoordelen en toetsen? Wat is er nu dan wezenlijk anders? Daarnaast leeft er een angst bij me dat de verhalen en perspectieven die eerder geen ruimte hebben gekregen, nu door het bestel worden opgepikt en via een eurocentrische of witte gaze met een publiek gecommuniceerd worden.

Het onderkennen van uitdagingen is voor iedere maker een onderdeel van zijn werkpraktijk. Het is niet makkelijk om een praktijk op te bouwen. Het vereist meerdere aspecten en facetten die niet enkel gebonden zijn aan je culturele achtergrond. In Nederland wordt er voorzichtig geprobeerd om ook makers van kleur ruimte te geven voor groei. Maar in mijn beleving wordt de dialoog nog te veel gedomineerd door de vraag om ruimte en niet het inrichten van die ruimte.

Uit dit alles uit dit niets schreeuwt een perspectief onbekend. Roept een stem ongezien. Nu ik zelf het lef gevonden heb om te luisteren mis ik het klimaat om het te laten bestaan. Beschermen wil ik het. Als leeuwen zullen ze het verscheuren met hun hebberigheid. Maar als het er niet is, kan het ook niet groeien. En zo scheurt het mij in tweeën.  

Ondanks het drijfzand waar ik op sta, weet ik wie mij is voorgegaan. Ik weet wie er allemaal gestreden hebben om dit nieuwe bewustzijn ruimte te kunnen geven. En ik wil daarop doorwerken.
Makers van kleur hebben behoefte aan een platform, ze willen hun stem laten gelden. Ze hebben ook echt wel wat te melden. Ze willen een plek. Wellicht omdat ze zichzelf, en hun perspectief op de wereld in het kunstenveld zo summier vertegenwoordigd zien. Daarnaast is er een publiek dat deze behoefte deelt.  Klaar zijn we met het erover te hebben. We willen die ruimte zelf inrichten om vanuit onszelf te converseren, reageren, evalueren en reflecteren, op onze eigen voorwaarden. Met onze eigen referenten en inspiratiebronnen. Wachten op een bestel dat tot inzicht komt duurt lang. Wachten op de bewustwording van gatekeepers, aanpassing van docententeams, verkleuring van directeuren van gevestigde instellingen.

Wie ben ik als maker, hoe ziet het werk eruit dat ik wil maken, waar wil ik het maken en welke rol geef ik het publiek hierin.
Deze kernvragen gelden voor iedere maker van theater ongeacht kleur, afkomt gender et cetera.

Maar als ik het werk van makers van kleur analyseer, zie ik dat de processen van uitsluiting, representatie en negatieve stereotypering nog steeds de voornaamste thema’s zijn.
Ik voel me bij het zien van deze werken bijna nooit aangesproken – wellicht omdat deze thema’s vaak worden behandeld met een wit publiek in het achterhoofd. Omdat deze thema’s onderdeel zijn van mijn wereldbeeld, hoop ik dat er makers komen die mij of ons als groep binnen het theater gaan aanspreken. Waardoor deze thema’s in vorm en inhoud door kunnen ontwikkelen.

Als eerste zie ik een groep mensen voor me, individuen die gespecialiseerd en deskundig zijn en met een intersectionele blik kunnen reflecteren op de leefwereld van zwarte mensen. Deze denkers, sociologen, historici, curatoren, spirituele begeleiders programmeurs, psychologen en onderzoekers noem ik  ‘de Skwod’.  Een team dat zich graag inzet voor makers van kunst en cultuur, dat de meerwaarde van kunst voor het publiek hoog in het vaandel heeft en een bijdrage wil leveren aan de ontwikkeling van zwarte makers.

Met deze groep mensen kunnen we avonden organiseren, waarin we pogen orale traditie, kennis over te dragen. Kennis die we daarmee van generatie op generatie overleveren. In de archieven zijn de voorbeelden van zij die ons zijn voorgegaan nog niet opgenomen, maar dat wil niet zeggen dat ze er niet zijn en via deze weg doen we een poging het archief aan te vullen en onze kennis te verdiepen.

Met deze avonden voeden we ons en kunnen we vragen stellen over onszelf, onze beleving en onze toekomst. Deze avonden kunnen worden uitgebreid met werksessies waar leden van ‘de Skwod’ kunnen worden ingezet om mee te denken in de werkprocessen van makers. Met welke bronnen voed ik mijn werk? Is dat geschreven, oraal of anders? Hoe verwerk ik deze bronnen? Hoe richt ik mijn repetitieperiode in? Hoe werk ik met mijn materiaal? Welke rol speelt het toneel en het podium?  Welke rol geef ik de publieke ruimte? Hoe ga ik om met het publiek? Is deze rol passief of kan ook juist daar mijn creativiteit worden ingezet? Heb ik behoefte aan onderzoek en hoe richt ik dat in?

Daarnaast zie ik graag dat deze ‘Skwod’ het werk van makers binnen de dominante theatertraditie toetst aan onze nieuw geformuleerde uitgangspunten. Hierdoor kan er een dialoog blijven tussen verschillende kunstpraktijken, zonder dat die door de witte kunsttraditie worden gedomineerd.

Ik pleit ervoor vanuit een bewustzijn van het gehele veld en de samenleving, na te denken over een theaterpraktijk van doorgeven. Eén waarin we bij elkaar op bezoek komen om vormen uit te diepen en om van elkaar te leren, om met elkaar te sparren zowel vanuit concrete praktijkvoorbeelden als hypothetische filosofieën.

Ik ben geboren uit een lijn van leiders,
strijders krijgers vissen water, vrij.
Waar ik kijk: zien de ogen van zij die door me heen kijken mee. 

Milone Reigman is afgestudeerd regisseur, theatermaker, docent, artistiek coördinator bij Het Huis Utrecht, bedenker van concepten, coach van jonge makers, vinder van ruimte, parttime schrijver en fulltime theaterliefhebber; laverend tussen werelden, bewegend door talen.

Lees hier het statement in de septembereditie van de Theaterkant.