INHOUD Mis-daad

Terwijl ik door de redelijk chique straat loop ben ik toch een beetje zenuwachtig. De man die ik ga ontmoeten is een intellectueel. Hij schrijft boeken. Hij houdt van klassieke muziek. En de man is een ex-gedetineerde. Ik merk dat ik me toch afvraag wat ik daar vind. Ik ben bezig met een project over boete en vergeving. Ik kies redelijk automatisch de kant van de mensen die last hebben van de vooroordelen die er over hen bestaan. Maar hoe is het om zo meteen iemand de hand te schudden die 26 maanden in de gevangenis heeft gezeten? De hand van iemand die een misdaad heeft begaan? Misschien schud ik zo de hand waarmee hij de misdaad heeft begaan. Mijn fantasie maakt met een wat gruwelend plezier scenario’s.

Ik ben dit project bij Het Huis Utrecht begonnen vanuit mijn interesse voor de rechtspraak in combinatie met de reacties in de wijken op ex-gedetineerden die daar komen wonen. Pedofielen, tbs’ers, terroristen. Het lijkt wel alsof mensen steeds meer hun erf gaan verdedigen tegen alles wat ze vinden dat er niet hoort. Natuurlijk zal ik zeggen dat het idioot is om voor het huis van Benno L. te gaan staan schreeuwen. Ik ben immers het kind van (destijds) linkse intellectuelen. Ik heb geleerd dat iedereen een kans verdient. Maar wat gebeurt er daar precies? En zijn het alleen maar domme, dikke werklozen? Wat is die verontwaardiging?

Nu bespeur ik bij mezelf dus wat zenuwen. Het is niet echt angst, maar meer een gevoel van verwarring. Zo lang ik hem niet ontmoet past de man in allerlei kant en klare categorieën. Maar zo meteen doet hij de deur open en dan is het ‘iemand’. Iemand die veroordeeld is voor een zedendelict. Dader en daad. Die twee dingen lijken onlosmakelijk met elkaar verbonden. Maar voor ons oordeel is de dader het belangrijkst. Dat zegt Theo van W., terwijl ik bij hem in zijn studeerkamer een kopje thee zit te drinken. Met een bakje chocolade pepernoten op tafel. “Voor de verleiding,” zegt hij, terwijl hij ze neerzet. In mijn hoofd koppelt het woord ‘verleiding’ zich bijna automatisch aan het woord ‘zedendelict’. Alweer een stukje scenario…

Theo schetst een beeld van de gevangenis. Hoe onveilig het daar is. Hoe je doodmoe wordt van over schouder kijken, altijd bang dat de mensen met wie je een bondje had gesloten je toch te grazen nemen. Over het niet aflatende lawaai, dat bijna de ergste straf is. Hij is in staat om te reflecteren op wat de gevangenis met je doet. “Toen ik weer voor het eerst door de stad liep, had ik het idee dat iedereen wist wie ik was,” vertelt hij. “Het duurde een tijd voordat ik weer ontspannen over straat kon lopen.” Ik knik begrijpend. Ik kan me dat voorstellen. Ook dat is een scenario. Herkenbaar van de beelden van de schichtige mannen die in films wat onwennig de poort van de gevangenis uit lopen. Ik ben mee, maar tegelijk betrap ik mezelf op een beetje wrevelige gedachte: ‘Had je maar niet moeten doen wat je hebt gedaan.’ Het begaan van een misdaad vermindert je ‘recht’ op empathie. De dames van de breiclub waar ik twee dagen geleden even koffie mee dronk vonden dat ook. Als je foute dingen doet mag je niet meer rekenen op medelijden. Simpel, helder, duidelijk. Zij zeiden dat met een grote stelligheid, terwijl ik juist nu licht afkeurend naar mijn eigen gedachten kijk. Waarschijnlijk zit in mijn ‘behoefte’ om deze man niet het voordeel van de twijfel te geven, om niet mee te leven, het antwoord op de vraag wat er gebeurt als er een zedendelinquent komt wonen in een buurt. De man heeft een mis-daad begaan. En dat is helder, simpel, duidelijk. Bij die dader een kopje thee gaan drinken en zijn kant van het verhaal horen, maakt het alleen maar ingewikkeld. Zoals nu blijkt.

De wachtkamer
“Ik kom voor Kirsten van S.”, zeg ik tegen de mevrouw achter het glas. Zij gaat haar voor me bellen en ik mag even plaats nemen in de wachtruimte. Ik draai me om en zie in de wachtruimte vijf mensen zitten. En staan. Een grote man met een snor in een zwart, leren jack staat strak voor zich uit te kijken. Een ouder echtpaar zit wat bedrukt kijkend naast elkaar. Een meisje, vast niet ouder dan 19, kijkt op van een tijdschrift. Een behoorlijk forse vrouw zit met haar armen over elkaar het plafond te bestuderen. Haar gezicht is rood. Het is een groep waar je met geen mogelijkheid een verzamelnaam voor verzint. Er is maar een ding dat deze mensen verbindt: ze zijn allemaal verslaafd. Ik ben namelijk bij de verslaafdenreclassering en wacht op de manager van een reclasseringswerkersteam.

Het is doodstil in de wachtruimte. Ik blijf staan en probeer net als de man links van me nergens naar te kijken. Er wordt geen gedag gezegd. Het voelt wat ongemakkelijk. Het is als in de wachtruimte van een dokter. Je gaat niet aan elkaar vragen waarom de ander er is. Maar hier is de stilte bijna een schuldige stilte. Bij de dokter zit je met een ingegroeide teennagel of een verkoudheid die niet weg wil. Dingen waar je niets aan kan doen. Hier zit iedereen hier met een verslaving. Je bent ineens niet meer anoniem zoals in de supermarkt of op straat. Hier weet iedereen dat je een probleem hebt, dat je zelf ten dele veroorzaakt hebt.

Nu ik hier sta heb ik dus ook een verslaving. Er wordt niets gezegd, maar iedereen kijkt. Ik vraag me af wat voor verslaving mensen denken dat ik heb. In tegenstelling tot de vrouw met haar armen over elkaar zie ik er gezond uit. Zij lijkt me een alcoholist. Of misschien een eetverslaafde? Dat zou ook kunnen. Het oudere echtpaar is helemaal niet in te schatten. Automatisch denk ik dat hij wel het probleem zal hebben, maar dat is natuurlijk veel te stereotiep. Misschien was hij wel een huisarts en is zij verslaafd geraakt aan de slaapmiddelen. Ik kan het niet inschatten. Deze mensen zijn niet zoals de junks die je rond het station onrustig voorbij ziet schuifelen. Hun gezichten strak van een leven aan de dope. Dit hier zijn de mensen die je in de supermarkt ziet en waar je niet zo veel van denkt.

De lift gaat open en Kirsten stapt eruit. Zij begroet me vrolijk en ineens ben ik weer iemand anders dan de zesde wachtende verslaafde. De wachtruimte kijkt terwijl we de lift in stappen. Het is jammer dat ze me niet nog wat langer liet wachten. Ik had eigenlijk nog wel even vermomd als een gezond ogende jongen met bijvoorbeeld een cocaïneverslaving mijn medeverslaafden willen bestuderen.

Theatermaker Floris van Delft werkt aan een nieuw project in opdracht van Het Huis Utrecht. Vanuit het pand aan de Amsterdamsestraatweg gaat hij in de openbare ruimte werk ontwikkelen gebaseerd op de verhalen van de wijk en haar bewoners. Floris bevraagt de bewoners over boete en vergeven en gebruikt hun verhalen voor een nieuwe theatervoorstelling. Ook praat hij met ex-gedetineerden en reclasseringsambtenaren. Via deze blog houdt hij ons op de hoogte van zijn overdenkingen en werkwijze.

REAGEER