INHOUD ITS feest?

Het ITS festival is een festival dat een feest van afstuderende kunstenaars zou moeten zijn die de kunstscholen verlaten en het veld gaan veroveren… Althans dat wordt ze op het hart gedrukt, vervolgens blijkt de ‘echte’ wereld vaak een stuk weerbarstiger.

Na een openingswoord van festivaldirecteur Theu Boermans die de druk toch wel lachwekkend hoog legde (‘Het ITS is het meest interessante theaterfestival van Europa’), volgde een interessante openingsspeech van Ramsey Nasr. Zijn woorden maakten op mij vooral indruk omdat hij het verband legde tussen de waardevolle nutteloosheid van de kunsten en andere sectoren die gebukt gaan onder het rendementsdenken, zoals de zorg en het onderwijs. Onderdelen van de maatschappij die stoelen op principiële waardering in plaats van het geweld van winst en productie.

Juist in dit tijdsgewricht is theater nodig dat verbindt en de waarde zonder nut legitimeert. Maar daarvoor is een handreiking naar je publiek nodig, in essentie is theater – kort door de bocht – de verbinding die aangegaan wordt tussen de performer en degene die hiernaar kijkt.

Als het ITS al een feest voor de afstuderenden is in plaats van een plek om juist het onderscheid te claimen tussen de kunstenaar en de ‘machtcentra’ van festivals, programmeurs en artistiek leiders zoals de zogenaamde schaduwploeg van het ITS deed, dan is het vooral een klein feestje. Een feest van ons voor ons, in plaats van een handreiking naar een beoogd publiek.

Vaktechnisch laten de voorstellingen van de afstuderenden vaak wel een gevoel voor theatraliteit zien, ofwel in een zelfgeschreven monoloog (Papa), in de enscenering van een zeer sterk stuk (Gif), in een conceptuele performance (Wittgensteins Mistress) of in een radicale bewerking van een Tjechov (Een Meeuw). Beperkt blijft de zeggingskracht van deze werken, behalve in het geval van Gif bleef die toch echt beperkt tot de inner-circle van het incestueuze theater. Theatermakende twintigers, wat willen jullie ons vertellen?

De academies hebben de taak om jonge theatermakers niet alleen op te leiden in het vak van theatermaker, maar ook als jonge mensen met een perspectief op de wereld om hen heen. Een wereld waarin we Griekenland bewust framen als een boevenstaat, een wereld waarin we vluchtelingen in deportatiecentra opvangen en een wereld waarin de menselijke waarden opzij worden gezet voor economisch gewin.

Pleiten voor pamflettistisch en eenduidig theater wil ik hier allerminst. Natuurlijk hoeft theater mij niet eendimensionale antwoorden te geven op problemen in de maatschappij, daarvoor is zij niet bedoeld, maar ik wil graag dat mijn interpretatie verder wordt gevoerd dan langs de inventaris van het theaterambt.

Deze analyse deelden de leden van de jury die weigerden de Ton Lutz-prijs uit te reiken. Zij constateerden daarnaast dat vooral de theatermakers uit Maastricht zich nog niet genoeg ontwikkeld hebben om zich het vak van regisseur voldoende eigen te hebben gemaakt. Vooral het gebrek aan een goed gevormde dialoog tussen maker en publiek en de ervaring dat de noodzaak om iets te vertellen niet goed genoeg is doordacht waren de voornaamste kritiekpunten. In navolging van Ton Lutz stelden zij: ‘regisseren is denken’, en dat is een devies dat alle jonge theatermakers in hun zak kunnen steken.

De eerste reactie na het uitspreken van het rapport uit het geschrokken publiek sprak boekdelen: ‘is dit een grap?’. ‘Harde kritiek zal wel een grap zijn, wij zijn toch de theatermakers van de toekomst?’ Het moment is daar om dat te gaan bewijzen. En misschien is de eerste stap wel de belangrijkste, goed nadenken over wat je als theatermaker met je publiek wil bespreken. En ik hoop voorzichtig dat dat een verhaal of voorstel is dat zich verbindt met de wereld of op zijn minst met de toeschouwer.

REAGEER