INHOUD Dadendrang is belangrijk

Op 4 juni kreeg Het Huis Utrecht goed nieuws: de gemeente Utrecht blijft de werkplaats voor de podiumkunsten ook in de komende vier jaar ondersteunen. De toezegging biedt ons de kans om de plannen die we voor ogen hadden ook daadwerkelijk uit te voeren. Het is een mooie aanleiding voor een gesprek met directeur Cobie de Vos. Hoe blikt zij terug op de afgelopen jaren? Hoe kijkt ze naar de plek voor onderzoek en experiment in het huidige podiumkunstenveld? En hoe gaat Het Huis zich de komende jaren ontwikkelen? ‘We zijn in de afgelopen vier jaar volwassen geworden.’

Het Huis Utrecht profileert zich als een werkplaats voor de podiumkunsten, een plek waar ruimte wordt gemaakt voor onderzoek en experiment. Waarom vind je die focus belangrijk?

De positie van onderzoek en experiment binnen de podiumkunsten staat eigenlijk al heel lang onder druk. Begin 2013 is de landelijke subsidie van alle toenmalige productiehuizen stopgezet, die zorgden voor tijd, kennis, kunde, ruimte en begeleiding op het vlak van talentontwikkeling. Daarna kwam er weinig ruimte meer voor research & development – dat is het gat waar we als Het Huis zijn ingesprongen. Nu we acht jaar bezig zijn lijkt er weer meer waardering te komen voor vernieuwing, dat zie je ook aan de ruimte die er nu landelijk voor ontwikkelinstellingen wordt gemaakt. Tegelijkertijd zie je dat die instellingen zo veel beleidsdoelen moeten dienen en aan zo veel eisen moeten voldoen dat het gevaar sterk op de loer ligt dat er weer te veel naar output en publieksbereik wordt gekeken, en er te weinig ruimte voor artistiek onderzoek overblijft.

Bovendien zie je dat de vernieuwingsdrang (met name op genre) van de Raad voor Cultuur, die terecht en begrijpelijk is, er ook voor heeft gezorgd dat goed functionerende instellingen als Frascati en Productiehuis Rotterdam buiten de boot vallen. Ik vind ook dat deze instellingen zich meer zouden kunnen vernieuwen, maar het is niet goed als ze zouden wegvallen.

Er is sowieso veel verwarring over wat de Raad voor Cultuur nu eigenlijk voor ogen heeft met de nieuwe categorie voor Ontwikkelinstellingen.

Ja, ik heb daar zelf veel vragen over: wat is nu eigenlijk de functie van de ontwikkelinstellingen? Er is geen heldere definitie gekomen, en geen duidelijke beoordelingscriteria, het bleef allemaal zeer vaag. De uitkomst van de advisering laat zien dat er voor genre-ontwikkeling gekozen is. Dit is iets anders dan talentontwikkeling. Deze twee begrippen zijn door elkaar gehaald of samengevoegd. Dit maakt dat de noodzaak die dit kunstenplan gevoeld wordt om meer aandacht te hebben voor onderzoek en ontwikkeling niet waargemaakt wordt.

Hoe kijk je terug op de afgelopen jaren? Ben je tevreden met de positie die Het Huis in de sector heeft verworven?

Ik had eigenlijk wel gehoopt dat we nu ergens in een landelijke structuur zouden passen – ik hoef niet zo nodig in de BIS, maar het was mooi geweest als er bij het Fonds Podiumkunsten structureel ruimte was gekomen om iets te doen aan ontwikkeling, onderzoek en experiment. Al sinds ik in Utrecht werk (vanaf 2006 bij Huis & Festival a/d Werf) staat de aandacht daarvoor onder druk. Als organisatie wilden we graag werkplaats en productiehuis zijn maar dit werd vanuit de landelijke overheid tegengehouden. Alle instellingen op het gebied van talentontwikkeling werden onder de noemer en de voorwaarden van een productiehuis gefinancierd. Sindsdien is er een roep naar een werkplaats voor de podiumkunsten maar beleidsmakers vinden een organisatie zonder duidelijke output heel ingewikkeld. Daarom ook alle lof voor de gemeente Utrecht die met ons in dit avontuur is gestapt.

Wij zijn in de kern een netwerkorganisatie die vanuit kracht van samenwerken makers ondersteunt. Dit kost veel, heel veel energie. Nu is deze energie nodig om Het Huis verder te bouwen, haar positie verder te verstevigen en nog meer richting gevend te worden naar het veld. Dit betekent dat we de komende vier jaar iets minder de vlag naar buiten hangen maar intern gaan bouwen aan de verdere versteviging van ons huis. Voor de komende jaren hebben we sterke partners in en buiten Utrecht (zoals HKU, Theater Kikker, Standplaats Midden, landelijke festivals en podia).

Zowel overheden, fondsen als collega’s zien onze kracht, maar met de financiële middelen (alleen lokale subsidie) die we nu hebben is onze slagkracht op dit moment nog te beperkt (dat merken we des te meer in deze tijd van corona). Die moet groter en daarvoor is de voorbereiding naar de stap naar een landelijke infrastructuur de komende jaren van groot belang.

De externe focus van de afgelopen jaren was wel nodig om eerst een stevige basis voor Het Huis te creëren.

Ja, dat naar buiten keren heeft er wel voor gezorgd dat niemand nu meer om ons heen kan. Collega’s bellen nu om te horen hoe ze Het Huis kunnen helpen in een periode van coronamaatregelen, waarin ruim 70% van onze eigen inkomsten wegvallen. De noden van Het Huis worden gezien als de noden van de stad. Na acht jaar hard werken zijn we een vaste waarde in Utrecht, we zijn volwassen geworden. We zijn vanuit het niets begonnen, bijna zonder subsidie, en dat lukte ons. Overheden keken in die eerste vier jaar nieuwsgierig mee, en collega’s soms met enige argwaan: zou het geen verkeerd precedent zetten als wij het met zo’n groot aandeel eigen inkomsten zouden redden? Maar in de tweede kunstenplanperiode was iedereen supertrots dat het gelukt was. We kregen vanuit de stad een structurele subsidie met prioriteit, we stonden hoog in de top tien van de gemeente.

Nu we dus in de afgelopen subsidieronde vanuit de positie van een gevestigde waarde werden getoetst vond ik dat heel spannend, want dan word je pas echt op je inhoud en je daden beoordeeld. Dat hebben we in een mooi rapport teruggekregen – in het advies had de commissie vooral lof voor de ‘onderscheidende positie die [we innemen] binnen Utrecht’ en ‘de wijze waarop [we] voor iedere maker een unieke ontwikkelroute [zoeken] met ruimte voor eigenheid’. Dat biedt een stevige basis om de volgende stappen te zetten in onze ontwikkeling. Hoe willen we onze positie verder verstevigen? Hoe kunnen we, samen met de makers van Het Huis, het meer tot hún huis maken? Wat vinden we belangrijk als voeding in de sector? Verder zien we nu ook de keerzijde van een hoog percentage eigen inkomsten: we zijn kwetsbaar in deze corona tijd en zien ook dat inhoudelijke groei bemoeilijkt wordt omdat er maar mondjesmaat subsidie bijkomt voor de artistieke functie van Het Huis. Ook hier moet verdere actie op.

Die energie is herkenbaar – je staat bekend als een doe-directeur.

Niet zonder eerst goed over de dingen na te denken natuurlijk (lacht)! Maar inderdaad: dadendrang is belangrijk. Als we nu bij voorbeeld naar het onderwerp inclusiviteit kijken, en hoe langzaam dat proces gaat in onze kunstensector – we zouden een voorbeeldrol moeten hebben in de maatschappij maar die nemen we niet. De mensen die ik spreek binnen de politiek of op andere beslisniveau’s hebben er veel te veel begrip voor dat het de cultuursector niet lukt. ‘Het is ook heel moeilijk, we moeten ze erbij helpen, we moeten ze de tijd geven’ – daar zijn we wel een keer mee klaar toch? De analyse van de Raad voor Cultuur en van de gemeente Utrecht is dat er veel te weinig mensen van kleur in invloedrijke posities zijn, daar moet je gewoon mee aan de slag. Wij werken hier hard aan door in ons team ruimte te maken voor diversiteit. Ik geloof stellig dat inclusiviteit start door vacatures op belangrijke posities in te laten vullen door mensen van kleur. Wij zetten hier stappen in maar zijn er nog lang niet. Dit bewijst de huidige beweging maar weer. Bescheiden zijn en hard weken om inclusiever te worden door te doen stond bij mij vanaf de start van dit lopende Kunstenplan centraal.

Hoe zie je de komende vier jaar voor je?

We moeten nu verder gaan bouwen aan ons eigen profiel – het kan namelijk niet zo zijn dat Het Huis over vier jaar nog steeds geen landelijke aanvraag kan doen. Met de komst van Milone Reigman (artistiek coördinator) verdiepen we de werking van de werkplaats met een sterker profiel van makers met onderzoeksvragen die ofwel sterk inzetten op nieuwe, transdisciplinaire vormen, ofwel gericht zijn op onderbelichte maatschappelijke thema’s – en het liefst allebei. We hebben daarbij extra aandacht voor autodidacte makers en makers van kleur, die historisch gezien in de hele sector te weinig ruimte hebben gekregen.

Ik denk dat we hard nodig zijn omdat er nog steeds geen echte plek is voor onderzoek, ontwikkeling en experiment zonder productiedrang of andere eisen. Waar we ons denk ik bij de afgelopen subsidieronde binnen de Basisinfrastructuur op hebben verkeken is dat er in de criteria die van tevoren waren geformuleerd bij de Ontwikkelinstellingen veel kansen leken te liggen voor netwerkorganisaties. Dat heeft een rol gespeeld bij de keuze of we als Het Huis zelf zouden aanvragen of met Standplaats Midden (ons samenwerkingsplatform met SPRING, Het Filiaal theatermakers, Gaudeamus, De Coöperatie en Holland Opera). Als je het me nu vraagt denk ik: we hadden het zelf moeten doen. Dan hadden we in een niche gestaan, de niche van een échte focus op onderzoek en experiment, zónder productie-eis, en dan hadden we kunnen zien of die niche op waarde zou zijn geschat door de commissie. Maar dat is achteraf: ik ben erg blij met wat de inspanning met de partners van Standplaats Midden nu al oplevert in de verdere verdieping van de samenwerking.

Hoe zou je de kernidentiteit van Het Huis omschrijven? 

Wat ik goed vind aan wie wij als organisatie zijn is dat we de maker met zijn onderzoek centraal zetten, dat klinkt soms een beetje banaal maar dat is het niet. We hebben als artistiek team geen enkele behoefte om makers te claimen. Ons profiel moet gaan over nieuwe ontwikkelingen binnen de kunsten en een gevoel van urgentie voor wat er leeft in het podiumkunstenveld en in de maatschappij, en dat we vanuit die invalshoeken makers faciliteren in hun eigen onderzoek.

Eén van die urgenties is meer ruimte maken voor autodidacte makers. Als podiumkunstensector zijn we nog te veel gericht op afstudeerders van de kunstvakopleidingen, en daarmee missen we stijlen, genres en ontwikkelingen die daarbuiten plaatsvinden. Maar makers die op andere manieren hun vak hebben geleerd hebben een heel andere benadering nodig dan iemand die van Das Theatre komt: we willen fundamenteel dezelfde vragen stellen maar het vergt een ander vocabulaire, een ander gesprek, andere expertise en andere aannames. De ideale werkplaats blijft zichzelf steeds opnieuw uitvinden en bevragen om sterk verschillende makers te kunnen faciliteren.

Wat dat betreft leven we in spannende tijden: de coronacrisis levert een explosie van creativiteit in nieuwe vormen op.

Ja dat is eigenlijk wel een interessante casus. Wij hebben als werkplaats de afgelopen jaren natuurlijk ook al op deze ontwikkelingen vooruitgelopen, omdat we steeds een belangrijke focus hebben gelegd op alternatieve publieksopstellingen en interactieve theatervormen. Makers en residenten als Marte Boneschansker, playField., Collectief Walden en oneseconds lopen voorop in deze manier van denken, het is een essentiële pijler van hun artistieke praktijk. Je merkt in een periode als deze dat onze organisatie al zo gewend is aan de noodzaak om flexibel met de maker mee te denken dat we vrij makkelijk in allerlei nieuwe bewegingen mee kunnen stappen.

Er gebeuren nu echter ook allerlei dingen die we nog niet kunnen faciliteren omdat het elkaar zo snel opvolgt. Pas als een aantal van die ontwikkelingen zich hebben geconsolideerd, ná die eerste creativiteitsspurt, kun je zien waar je in moet investeren. Ondertussen kun je zorgen dat je ruimte biedt, vragen kan beantwoorden en matchmaker bent, maar je moet voorbij het allereerste reactionaire stadium van zo’n crisis zijn voordat je als kunstenaar in rust gedegen onderzoek kan doen.

Je ziet juist in deze periode dat de sector zich enorm kwetsbaar maakt als ze zich niet blijft ontwikkelen. Dat bewijst alleen maar het enorme belang van een werkplaats als Het Huis, waar de noodzaak van onderzoek, experiment en innovatie centraal staat.

 

Auteur: Marijn Lems.

 

REAGEER